Category: vragen

🚀 Jump to a Lesson:

In het Engels gebruik je did en didn’t (did not) om vragen en ontkenningen te maken in de past simple, als er geen ander hulpwerkwoord in de zin staat (zoals was, were, could, had, enz.).

Na did of didn’t gebruik je het hele werkwoord zonder -ed — dus de vorm van het werkwoord in de tegenwoordige tijd (zonder “to”).

🔹 Wat is een ontkenning?

Een ontkenning is een zin waarin je zegt dat iets niet zo is of niet is gebeurd. In het Nederlands gebruik je bijvoorbeeld het woordje “niet” of “geen”.


🔹 Voorbeelden van vragen:

  • Did you play football yesterday?
    (Speelde je gisteren voetbal?)
  • Did she eat the cake?
    (At zij de taart?)

Let op: je zegt “Did she eat”, niet “Did she ate” — ate is al verleden tijd, maar na did gebruik je het hele werkwoord: eat. Je maakt dus niet twee keer de verleden tijd.

🔹 Voorbeelden van ontkenningen:

  • I didn’t play football yesterday.
    (Ik speelde gisteren geen voetbal / Ik heb gisteren niet gevoetbald.)
  • She didn’t eat the cake.
    (Zij at de taart niet.)

Ook hier gebruik je het hele werkwoord: play, eat, go, enz.

Exercise 1

Exercise 2

⏱ Time: 00:00
🚫 Tab switches: 0

In het Nederlands kun je vragen maken door het werkwoord dat in de zin staat naar voren te halen. In het Engels kan dit helaas niet met alle werkwoorden. Er zijn 3 verschillende situaties om rekening mee te houden:

  1. Als er één werkwoord in de zin staat en het is ‘am’, ‘are’, ‘is’ of ‘can’, wordt het werkwoord) naar voren gehaald voor het stellen van een vraag. In het Nederlands maken we alle vragen op deze manier. Voorbeeld:
    • You are tall > Are you tall?
    • He is nice > Is he nice?
    • I am happy > Am I happy?
    • We can work > Can we work?
  2. Als er één werkwoord in de zin staat dat niet ‘am’, ‘are’, ‘is’ of ‘can’ is, moet je ‘do’ of ‘does’ toevoegen aan het begin van de zin. Je krijgt DO bij I, You, We en They en DOES bij He, She en It. Let op: als je DOES gebruikt, moet je de -S achter het werkwoord weghalen. Voorbeeld:
    • I like pizza > Do I like pizza?”
    • He walks home > “Does he walk_ home?”
  3. Als er 2 werkwoorden in de zin staan, haal je het eerste werkwoord naar voren. Voorbeeld:
    • He is watching TV > Is he watching TV?
    • I have got a dog> Have I got a dog?

Oefening 1: Vragen maken met am/are/is en can

Oefening 2: Vragen maken met do/does

Oefening 3: Vragen maken met 2 werkwoorden

Oefening 4: Mix van zinnen met 1 of 2 werkwoorden