Category: present simple

🚀 Jump to a Lesson:
⏱ Time: 00:00
🚫 Tab switches: 0

Wanneer je wilt beslissen of je de ‘present simple’ of ‘present continuous’ gaat gebruiken, let dan goed op de signaalwoorden in de zin. Deze woorden geven je een hint over welke tijd je moet gebruiken.

Voor de ‘present simple’, zoek je naar woorden zoals ‘Always’, ‘Never’, ‘Often’, ‘Sometimes’. Als je deze woorden ziet, moet je beslissen of je wel of niet een ‘-s’ aan het einde van het werkwoord moet toevoegen. Bijvoorbeeld, in de zin ‘He always plays football on Saturdays’, zie je het woord ‘always’, dus we gebruiken de ‘present simple’ en voegen ‘-s’ toe aan het werkwoord ‘play’.

Voor de ‘present continuous’, zoek je naar woorden zoals ‘Now’, ‘At the moment’, ‘Look!’. Als je deze woorden ziet, moet je ‘am/are/is’ vóór het werkwoord plaatsen en ‘-ing’ aan het einde van het werkwoord toevoegen. Bijvoorbeeld, in de zin ‘Look! He is trying (to try) to balance on the tightrope’, zie je het woord ‘Look!’, dus we gebruiken de ‘present continuous’ en voegen ‘is’ voor het werkwoord en ‘-ing’ aan het einde van het werkwoord toe.

Exercise 1

Exercise 2

Exercise 3

Exercise 4

Exercise 5

Ontkenningen maken (zeggen dat iets niet zo is) in de tegenwoordige tijd (Present simple) in het Engels kan op drie manieren gedaan worden:

  1. Als er één werkwoord in de zin staat en het is am/are/is of can, dan voeg je ‘not’ toe aan de zin. Je plaatst ‘not’ achter am/are/is of can:
  • She is sad > She is not sad
  • They are happy > They are not happy 
  • My father can work > My father can’t work

Je kunt de ontkenning voluit schrijven, maar je kunt ook de korte vorm gebruiken. Dan ziet het er zo uit: 

  • You are not happy > You aren’t happy 
  • He is not happy > He isn’t happy 
  • She is not happy > She isn’t happy 
  • It is not happy > It isn’t happy 
  • We are not happy > We aren’t happy 
  • You are not happy > You aren’t happy 
  • They are not happy> They aren’t happy

2. Als er één werkwoord in de zin staat, en het is niet am/are/is of can, moet je ‘do not/don’t’ of ‘does not/doesn’t’ toevoegen aan de zin. Je plaatst dit voor het werkwoord in de zin:

  • I work > I do not work 
  • She learns > she does not learn.

Je kunt de ontkenning voluit schrijven of de korte vorm gebruiken. Dit werkt als volgt: 

  • I do not work > I don’t work 
  • You do not work > you don’t work 
  • He/she/it does not work > he/she/it doesn’t work 
  • We do not work > we don’t work 
  • You do not work > you don’t work 
  • They do not work > they don’t work 
  • We cannot work > we can’t work

Zoals je ziet gebruik je bij he, she en it ‘does’ in plaats van ‘do’. Let op: als je DOES gebruikt, moet je de -S achter het werkwoord weghalen. Voorbeeld:

  • He walks home > He doesn’t walks home 
  • She likes books > she doesn’t likes books

3. Als er 2 werkwoorden in de zin staan, zet je de ontkenning achter het eerste werkwoord. Je doet dit door ‘not’ toe te voegen. Je kunt weer alles voluit schrijven of een korte vorm gebruiken:

  1. I have worked > I have not worked / I haven’t worked 
  2. I am playing > I am not playing 

Let op:

  • bij “am not” bestaat geen korte vorm (amen’t), je gebruikt daar dus altijd de lange vorm
  • Je schrijft “not” los van het werkwoord behalve bij “cannot”, dat schrijf je aan elkaar.

Exercise 1 – Ontkenningen maken met ‘To Be’

Exercise 2 – Ontkenningen maken met 1 werkwoord

Exercise 3 – Ontkenningen maken met 2 werkwoorden

Extra oefeningen

  1. Negations in the Simple Present – English
  2. Simple Present – Negation of sentences in English
  3. Negations in the Simple Present, don’t or doesn’t – English
  4. Simple Present – Negations – Short/contracted forms – Exercise

⏱ Time: 00:00
🚫 Tab switches: 0

In het Nederlands kun je vragen maken door het werkwoord dat in de zin staat naar voren te halen. In het Engels kan dit helaas niet met alle werkwoorden. Er zijn 3 verschillende situaties om rekening mee te houden:

  1. Als er één werkwoord in de zin staat en het is ‘am’, ‘are’, ‘is’ of ‘can’, wordt het werkwoord) naar voren gehaald voor het stellen van een vraag. In het Nederlands maken we alle vragen op deze manier. Voorbeeld:
    • You are tall > Are you tall?
    • He is nice > Is he nice?
    • I am happy > Am I happy?
    • We can work > Can we work?
  2. Als er één werkwoord in de zin staat dat niet ‘am’, ‘are’, ‘is’ of ‘can’ is, moet je ‘do’ of ‘does’ toevoegen aan het begin van de zin. Je krijgt DO bij I, You, We en They en DOES bij He, She en It. Let op: als je DOES gebruikt, moet je de -S achter het werkwoord weghalen. Voorbeeld:
    • I like pizza > Do I like pizza?”
    • He walks home > “Does he walk_ home?”
  3. Als er 2 werkwoorden in de zin staan, haal je het eerste werkwoord naar voren. Voorbeeld:
    • He is watching TV > Is he watching TV?
    • I have got a dog> Have I got a dog?

Oefening 1: Vragen maken met am/are/is en can

Oefening 2: Vragen maken met do/does

Oefening 3: Vragen maken met 2 werkwoorden

Oefening 4: Mix van zinnen met 1 of 2 werkwoorden

⏱ Time: 00:00
🚫 Tab switches: 0

De present simple is de gewone tegenwoordige tijd in het Engels.

Voorbeeld:

  • Ik werk – I work
  • Hij werkt – He works
  • Wij werken – We work

Zoals je ziet, hebben regelmatige werkwoorden in het Engels maar 2 vormen, met of zonder ‘-s’.

Je gebruikt de present simple in het Engels voor dingen die je ALTIJD, VAAK of NOOIT doet. Je zult dus vaak de signaalwoorden ALWAYS, NEVER of OFTEN zien, maar het kan ook uit de zin blijken dat iets een gewoonte is.

In het Nederlands zetten we in bij jij, hij, zij en het een T achter het werkwoord. In het Engels zetten we een S achter het werkwoord bij HE, SHE en IT. Je kunt het ezelsbruggetje SHIT-regel onthouden zodat je weet dat je dit bij SHE, HE, IT moet doen. Dit doe je ook bij de man, de vrouw, of één dier, één ding:

  • He walks
  • The dog walks
  • The lady who lives next door sings

Zie ook:

  1. Vragen maken in de present simple
  2. Ontkenningen maken (zegggen dat iets niet zo is) in de present simple

Oefeningen voor de present simple: