Category: present continuous

🚀 Jump to a Lesson:
⏱ Time: 00:00
🚫 Tab switches: 0

Ken je het hoofdstuk al goed? Probeer dan de code te kraken in deze schatkaart binnen 30 minuten! Als je het hoofstuk nog niet goed kent, kun je ook de oefentoets hieronder doen.

Oefentoets hoofdstuk 4

Maak de 8 opdrachten van de oefentoets van hoofdstuk 4. Tip: zet de toets op volledig scherm.

Kruiswoord hoofdstuk 4

⏱ Time: 00:00
🚫 Tab switches: 0

Wanneer je wilt beslissen of je de ‘present simple’ of ‘present continuous’ gaat gebruiken, let dan goed op de signaalwoorden in de zin. Deze woorden geven je een hint over welke tijd je moet gebruiken.

Voor de ‘present simple’, zoek je naar woorden zoals ‘Always’, ‘Never’, ‘Often’, ‘Sometimes’. Als je deze woorden ziet, moet je beslissen of je wel of niet een ‘-s’ aan het einde van het werkwoord moet toevoegen. Bijvoorbeeld, in de zin ‘He always plays football on Saturdays’, zie je het woord ‘always’, dus we gebruiken de ‘present simple’ en voegen ‘-s’ toe aan het werkwoord ‘play’.

Voor de ‘present continuous’, zoek je naar woorden zoals ‘Now’, ‘At the moment’, ‘Look!’. Als je deze woorden ziet, moet je ‘am/are/is’ vóór het werkwoord plaatsen en ‘-ing’ aan het einde van het werkwoord toevoegen. Bijvoorbeeld, in de zin ‘Look! He is trying (to try) to balance on the tightrope’, zie je het woord ‘Look!’, dus we gebruiken de ‘present continuous’ en voegen ‘is’ voor het werkwoord en ‘-ing’ aan het einde van het werkwoord toe.

Exercise 1

Exercise 2

Exercise 3

Exercise 4

Exercise 5