Category: persoonlijk voornaamwoorden

🚀 Jump to a Lesson:

Persoonlijke voornaamwoorden zijn woorden die gebruikt worden om te verwijzen naar de persoon of personen die betrokken zijn in een zin. Er zijn verschillende soorten persoonlijke voornaamwoorden in het Engels, zoals:

  • I (ik) – Let op: ALTIJD met hoofdletter!
  • You (enkelvoud) (jij/u)
  • He (hij)
  • She (zij enkelvoud) 
  • It (het) – Let op: dieren zijn in het Engels altijd it!
  • You (meervoud) (jullie/u)
  • We (wij)
  • They (zij meervoud) – Let op: in het Nederlands kan zij één vrouwelijk persoon betekenen, maar ook een groep mensen

Het persoonlijk voornaamwoord is vaak het onderwerp van de zin, maar vaak staat er ook iets anders zoals “the man”, “my teacher”, “the car”, het is belangrijk om dan te weten door welk persoonlijk voornaamwoord je deze woorden kunt vervangen (bijv. he, she, it).

  • My father (=he) works from home.
  • Eva (=she) lives in London.
  • My mother and my sister (=they) like pancakes.
  • My cat (=it!) runs in the garden.
  • My brother and I (=we) like playing boardgames.

Exercise 1

Maak de sleepoefening met persoonlijk voornaamwoorden.

0/9
Sleep de woorden naar de juiste vakken
Sleep een woord naar het juiste vak of klik eerst op een woord en daarna op een vak.
1. (ik) like to read books in my free time.
2. (zij) is going to the store later.
3. (hij) is playing soccer with his friends.
4. (zij) are having a picnic in the park.
5. (wij) are going to the movies tonight.
6. (jij) are welcome.
7. (het) is a beautiful day.
8. (zij) is my sister.
9. (zij) are my family.

Exercise 2

Vervang het onderwerp door het juiste persoonlijke voornaamwoord.

0/10
Sleep de woorden naar de juiste vakken
Sleep een woord naar het juiste vak of klik eerst op een woord en daarna op een vak.
1. (the man) is tall.
2. (my sister) is going to the store.
3. (the dog) is barking.
4. (the girls) are playing in the park.
5. (the boy) is riding his bike.
6. (my parents) are coming to visit.
7. (the cat) is sleeping on the windowsill.
8. (the teacher) is grading papers.
9. (my friends) are going to the movies.
10. (the car) needs to be washed.

Exercise 3

Exercise 4

0/10

Vul de juiste voornaamwoorden in.

1. loves to read books (Mary).
2. are playing soccer (Tom and Alice).
3. has a big dog (Jack).
4. are going to the park (You and I).
5. is raining outside (The weather).
6. have a lot of homework (The students).
7. is a famous singer (Adele).
8. works as a doctor (Sam).
9. live in the same building (My neighbor and I).
10. is very cute (The kitten).
 

Meer oefenen?

  1. https://www.englisch-hilfen.de/en/exercises/pronouns/personal_pronouns.htm
  2. https://www.englisch-hilfen.de/en/exercises/pronouns/mix.htm