Category: past perfect continuous

🚀 Jump to a Lesson:
⏱ Time: 00:00
🚫 Tab switches: 0

De Past Perfect Continuous gebruik je om een handeling te beschrijven die in het verleden begonnen was en tot een bepaald ander moment in het verleden had geduurd.

Vorming:
→ had been + werkwoord + -ing

  • Zowel bij enkelvoud als meervoud altijd had been.

Voorbeelden:

  • I had been living here for three years before I learned the street names. (to live, to learn)
  • She was tired because she had been working all day. (to work)

Gebruik van de Past Perfect Continuous

  1. Acties die begonnen waren in het verleden en tot een bepaald ander moment in het verleden voortduurden
    • They had been waiting for an hour before the bus finally arrived.
  2. Uitleggen hoe lang iets bezig was geweest vóór een ander moment in het verleden
    • We had been studying English for two years before we moved to London.
  3. Oorzaken of redenen geven voor een situatie in het verleden
    • He was out of breath because he had been running.
  4. Negatieve vorm: had not been of hadn’t been + -ing
    • She hadn’t been paying attention, so she missed the instructions.

⚡ Tip: De Past Perfect Continuous gaat vaak samen met tijdsbepalingen of bijwoorden die aangeven hoe lang of tot wanneer iets bezig was (for, since, before, until, all day, enz.).

Zie ook: Mix verleden tijden

Exercise 1

⏱ Time: 00:00
🚫 Tab switches: 0

Kies de juiste verleden tijd in de onderstaande oefeningen uit de past simple, de past continuous, de past perfect of de past perfect continuous.

Werkblad downloaden

  • Past Simple: Gebruik je voor een afgeronde actie in het verleden.
    Hoe maak je het? Werkwoord + -ed (bij regelmatige werkwoorden) of de onregelmatige verleden tijdsvorm. Bij vragen en ontkenningen gebruik je did/didn’t + hele werkwoord
  • Past Continuous: Gebruik je voor een actie die bezig was op een specifiek moment in het verleden. Meestal gebruik je de past continuous voor wat je aan het doen was en de past simple voor wat het onderbrak.
    Hoe maak je het? was/were + werkwoord + -ing.
  • Past Perfect: Gebruik je om aan te geven dat iets al voltooid was vóór een ander moment in het verleden. Voor het moment dat minder lang geleden was afgelopen, gebruik je de past simple.
    Hoe maak je het? had + voltooid deelwoord.
  • Past Perfect Continuous: Gebruik je om aan te geven dat een actie al enige tijd bezig was vóór een ander moment in het verleden. Voor het moment dat minder lang geleden was afgelopen, gebruik je de past simple.
    Hoe maak je het? had been + werkwoord + -ing.

Exercise 1

Exercise 2

Exercise 3