English lesson
Betrekkelijke voornaamwoorden in het Engels
Deze content is gemaakt door een docent met behulp van AI.
In het Engels heten betrekkelijke voornaamwoorden Relative Pronouns. In het Nederlands gebruik je vaak de woorden die of dat in dit soort zinnen:
- De jongen die ik gisteren zag, had een hond.
- Het paard dat was weggelopen, werd teruggevonden
- De computer die niet meer werkte heb ik weggegooid
In het Engels gebruiken we betrekkelijke voornaamwoorden om twee ideeën binnen een zin met elkaar te verbinden. Deze voornaamwoorden helpen ons extra informatie te geven over een zelfstandig naamwoord (persoon, ding of idee) dat eerder in de zin is genoemd. Hier zijn de belangrijkste betrekkelijke voornaamwoorden:
- Who: Verwijst naar personen. Gebruik “who” wanneer je het over een persoon hebt. Voorbeeld: “The boy who I saw yesterday had a dog.”
- Which: Verwijst naar dingen of dieren. Gebruik “which” wanneer je het over een object of een dier hebt. Voorbeeld: “The horse, which ran away, was found.”
- That: Kan ook naar dingen of dieren verwijzen. Gebruik “that” wanneer de informatie essentieel is voor de zin. Voorbeeld: “I threw away the computer that didn’t work anymore.”
- Whose: Geeft bezit aan. Gebruik “whose” om aan te geven dat iets toebehoort aan iemand. Voorbeeld: “The boy, whose bike was stolen, was very sad.”
Maak de onderstaande oefeningen om te testen of je de betrekkelijke voornaamwoorden in het Engels goed begrijpt.