grammatica
Onregelmatige werkwoorden oefenen
Deze content is gemaakt door een docent met behulp van AI.
Let op: de lijst met onregelmatige werkwoorden verschilt per methode en per leerjaar. Controleer goed dat je de juiste lijst leert!
0/336
Vertaal het werkwoord naar het Engels en vul de verleden tijd en voltooid verleden tijd van de onregelmatige werkwoorden in.
1. Zijn (were)
2. Slaan
3. Worden
4. Beginnen
5. Wedden
6. Bieden
7. Binden
8. Bijten
9. Bloeden
10. Blazen
11. Breken
12. Fokken
13. Brengen
14. Uitzenden
15. Bouwen
16. Branden
17. Kopen
18. Vangen
19. Kiezen
20. Komen
21. Kosten
22. Snijden
23. Handelen
24. Graven
25. Doen
26. Tekenen
27. Dromen
28. Drinken
29. Rijden
30. Eten
31. Vallen
32. Voeden
33. Voelen
34. Vechten
35. Vinden
36. Vluchten
37. Vliegen
38. Verbieden
39. Vergeten
40. Vergeven
41. Bevriezen
42. Krijgen
43. Geven
44. Gaan
45. Groeien
46. Hangen
47. Hebben
48. Horen
49. Verbergen
50. Slaan
51. Houden
52. Pijn doen
53. Houden/blijven
54. Weten
55. Leggen
56. Leiden
57. Leren
58. Verlaten
59. Lenen
60. Laten/Verhuren
61. Liggen
62. Verliezen
63. Maken
64. Menen/Bedoelen
65. Ontmoeten
66. Overwinnen
67. Betalen
68. Zetten/Leggen
69. Ophouden
70. Lezen
71. Rijden (fiets/paard)
72. Bellen
73. Opstaan/Stijgen/Opkomen
74. Rennen
75. Zeggen
76. Zien
77. Verkopen
78. Zenden/Sturen
79. (in)stellen)/Plaatsen
80. Schudden
81. Schieten/Opnemen (film)
82. Laten zien
83. Sluiten/Dichtdoen
84. Zingen
85. Zinken
86. Zitten
87. Slapen
88. Ruiken
89. Spreken
90. Spellen
91. Doorbrengen/Uitgeven(geld)
92. Splijten/Delen
93. Draaien
94. Staan
95. Stelen
96. Plakken/Blijven/Steken
97. Prikken/Steken
98. Slaan/Raken/Staken
99. Vloeken/Zweren
100. Vegen
101. Zwemmen
102. Nemen
103. Onderwijzen
104 Scheuren/Trekken
105. Zeggen/Vertellen
106.Denken
107. Gooien
108. Begrijpen
109. Wakker worden
110. Dragen (kleding)
111. Winnen
112. Schrijven
2. Slaan
3. Worden
4. Beginnen
5. Wedden
6. Bieden
7. Binden
8. Bijten
9. Bloeden
10. Blazen
11. Breken
12. Fokken
13. Brengen
14. Uitzenden
15. Bouwen
16. Branden
17. Kopen
18. Vangen
19. Kiezen
20. Komen
21. Kosten
22. Snijden
23. Handelen
24. Graven
25. Doen
26. Tekenen
27. Dromen
28. Drinken
29. Rijden
30. Eten
31. Vallen
32. Voeden
33. Voelen
34. Vechten
35. Vinden
36. Vluchten
37. Vliegen
38. Verbieden
39. Vergeten
40. Vergeven
41. Bevriezen
42. Krijgen
43. Geven
44. Gaan
45. Groeien
46. Hangen
47. Hebben
48. Horen
49. Verbergen
50. Slaan
51. Houden
52. Pijn doen
53. Houden/blijven
54. Weten
55. Leggen
56. Leiden
57. Leren
58. Verlaten
59. Lenen
60. Laten/Verhuren
61. Liggen
62. Verliezen
63. Maken
64. Menen/Bedoelen
65. Ontmoeten
66. Overwinnen
67. Betalen
68. Zetten/Leggen
69. Ophouden
70. Lezen
71. Rijden (fiets/paard)
72. Bellen
73. Opstaan/Stijgen/Opkomen
74. Rennen
75. Zeggen
76. Zien
77. Verkopen
78. Zenden/Sturen
79. (in)stellen)/Plaatsen
80. Schudden
81. Schieten/Opnemen (film)
82. Laten zien
83. Sluiten/Dichtdoen
84. Zingen
85. Zinken
86. Zitten
87. Slapen
88. Ruiken
89. Spreken
90. Spellen
91. Doorbrengen/Uitgeven(geld)
92. Splijten/Delen
93. Draaien
94. Staan
95. Stelen
96. Plakken/Blijven/Steken
97. Prikken/Steken
98. Slaan/Raken/Staken
99. Vloeken/Zweren
100. Vegen
101. Zwemmen
102. Nemen
103. Onderwijzen
104 Scheuren/Trekken
105. Zeggen/Vertellen
106.Denken
107. Gooien
108. Begrijpen
109. Wakker worden
110. Dragen (kleding)
111. Winnen
112. Schrijven